Ben ik een schepper?

Ben ik een schepper? Ik weet het niet. Ik weet wel dat ik als kind een fantasie had over hoe God schiep. Want God die kon scheppen, dat had ik gehoord dus dat was zo. 

De mens kan natuurlijk onmogelijk weten hoe dat echt zit met God en zijn vermogen om te scheppen. Alles wat de mens over God denkt en zegt is een projectie van zijn eigen kunnen maar dan met een factor tien of honderd vermenigvuldigt. Dus als de mens het heeft over God de schepper dan heeft hij het eigenlijk over een uitvergroting van zijn eigen scheppende vermogen.  

Mijn fantasie als kin over onze scheppende God ging als volgt:  

God zat over het algemeen in een grote comfortabele armfauteuil. Hij zat wat hoog, keek uit over zijn schepping en was tevreden over wat hij zag. Hij zat daar alleen, begon zich na verloop van tijd wat te vervelen. Het werd tijd om weer eens wat te scheppen.  

God draaide zijn fauteuil en kwartslag, zocht de stilte en kreeg een ingeving: ‘vissen’. Gegrepen door dit nieuwe idee, een prachtige aanvulling op zijn schepping, draaide hij zijn stoel nog een kwartslag. Met zijn rug naar de schepping kon hij zich nu met zijn verbeelding volledig richten op het ontwerpen van een bonte schakering vissen.  

Op een gegeven moment vond hij het ontwerp goed genoeg en voor de derde maal draait God zijn stoel een kwartslag. Dan volgt een ritueel met toverspreuken: Ik geloof, Het zij zo, Amen. God maakt opnieuw een slag, opent zijn ogen en ziet dat het goed is.  

Dat is het magische deel van de reis van de schepper. Een schepper heeft nodig een ingeving, een wens. Hij heeft nodig een levendige fantasie, een aantrekkelijke voorstelling en het geloof dat het zal zijn. Voor de scheppende mens volgt hierna nog een hele pittige reis door de materie.  

Scroll naar top